De hoop, dat is een heel klein borelingske, geboren Kerstmis vorig jaar, het speelt nog met de kerstman. Maar het is dat kleine mensje dat de wereld zal doorkruisen, dit mensje alleen, draagt de anderen en doorkruist de werelden in wording.
Daarom, al wat wij doen, al wat de wereld doet, men doet het omwille van dat kleine mensje hoop.
Regelmatig zegt Charles na een manier van kijken van mij of een bepaalde opmerking: “Zie je wel, je moeder is niet dood.” Zelf ervaar ik bepaalde visies en ‘streken’ van mijn vader en moeder als meesturend, mezelf corrigerend of inspirerend. Vanuit die ervaringen kun je begrippen als verrijzenis en onsterfelijkheid wellicht beginnen te duiden.
Simone Weil schreef: “Alleen het licht dat voortdurend uit de hemel valt geeft een boom de energieom sterke wortels diep de aarde in te duwen. De waarheid is dat de boom in de hemel wortelt. Slechts dat wat uit de hemel komt, is in staat werkelijk zijn stempel op de aarde te drukken.”
Dat zette mij aan het denken: Wij hebben voortdurend de neiging om vanuit de aarde te denken toch lijkt het leven pas echt mogelijk door ‘voeding’ van boven. Heel seculier kun je dan denken aan alle variaties op de huidige schone lucht bewegingen. Wellicht kan het doordenken op ‘voeding’ van boven ons bewust maken van een meer dan dat. Meer dan licht en lucht, meer dan water en brede vertakkingen diep in de grond. Meer dan wat wij met zijn allen gebruiken en denken nodig te hebben. Ik denk dat als het puntje bij het paaltje komt de aarde vooruit kan zonder de mens. Nadenkend over ‘voeding’ van boven lijkt het me dat de mens de mogelijkheid heeft om verder te gaan op weg naar een uiteindelijk bestaan in het besef dat het ons gegeven is om deelgenoot te zijn van een groter geheel dan dat wij denken nodig te hebben en exclusief lijken op te eisen. Zelf ervaar ik dat als de uiteindelijk mogelijke weg met God, heel het al. De activerende inspiratie van ‘voeding’ van boven maakt het mogelijk ons diep te kunnen wortelen in een aards bestaan gericht op een uiteindelijke wereld.
Erik Borgman verwijst naar dit gedicht van Tomas Tranströmer en dat inspireerde me tot de volgende gedachte: Herinneringen spiegelen mijn confrontaties en beoordelen min of meer het bewustzijn van mijn morele handelen. Ik ervaar herinneringen als het voegsel tussen de stenen van mijn leven. Binnen het bestaan van God, heel het al, kun je zo deelnemen aan het goddelijke en wellicht je eigen rechter zijn.
Armando laat zich de onontkoombare ‘Schönheit des Bösen’ gezeggen als inspiratie voor zijn werk. Hij citeert daarbij Friedrich Nietzsche: “het sublieme als het artistieke temmen van het verschrikkelijke. ” Das Erhabene als die Künstlerische Bändigung des Entsetzlichen“. Alleen de kunst is volgens Nietzsche in staat het verschrikkelijke of het absurde van het bestaan om te buigen tot voorstellingen waarmee te leven valt. (Die Geburt der Tragödie, 1872,53)
Ik blijf nog steeds verbaasd hoeveel geweld wordt verbeeld en vervolgens met graagte wordt bekeken. Kruisbeelden en heiligenbeelden doen daar volgens mij niet voor onder bij oorlogsfilms of gewelddadige politieseries. Wellicht mag je zeggen bij kruisbeelden vol leed, met als extreem voorbeeld de Christus van het Issenheimer Altar, dat daarmee het geloof in J.C. in geweld wordt verpakt. Voor mij toch een vraag of er niet meer speelt dan Schönheit des Bösen.
Dit overdenkend kwam ik zomaar bij Franciscus en zijn kerststal uit. Franciscus vermaakte het erbarmelijke kerstverhaal tot een beeld van tederheid. Het onrecht van de geboorte in een stal met al de ellende uit de verhalen van indertijd er om heen, wordt middels het scheppen van een daarbinnen gecomponeerde tedere voorstelling te behappen voor de toeschouwer. Zelfs zozeer dat de romantiek van de kerststal intussen overheerst op de erbarmelijkheid van de geboorte verhalen over J.C..